Lezing: Feministische Perspectieven - de lijnen doortrekken 1980-2026

Op 2 april 2026 opende in het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) de tentoonstelling Unfolding the Archives #9 Feministische Perspectieven 1980-1990. Tijdens de vernissage gaf Evelien Pieters (PAF) een lezing over de lijnen die vanuit dit rijke archief doorlopen naar de urgente vragen van vandaag. Een pleidooi voor intersectionaliteit, zorg en het opeisen van een rechtvaardige plek aan de ontwerptafel.

© Dieter Daniëls

Deel 1: Intro

Ik ben heel blij dat ik hier vanavond iets mag zeggen. Maar bovenal ben ik blij met deze tentoonstelling en al het werk dat is verzet om dit archief op te duiken en bloot te leggen. Ik ben ervan overtuigd dat dit een enorme toevoeging is voor onze sector, voor de strijd, de beweging en de gesprekken die we vandaag de dag nog steeds moeten voeren. Ik wil graag een aantal gedachten delen over de relevantie van deze expo voor vandaag, zoals ik die zie, en de lijnen die ik zie doorlopen.

Maar eerst zou ik graag willen zien wie er in de zaal zitten. Wie van jullie heeft een ontwerpopleiding gedaan? Architectuur, interieurarchitectuur, stedenbouw of landschapsarchitectuur? En wie werkt er ook effectief in die sector? Wie is er nog student? Wie is er met pensioen? Welke generaties zijn er aanwezig? Zijn er mensen geboren na 2010? Waarschijnlijk niet. Mensen uit de jaren 2000, de huidige studenten en jonge professionals? Mensen uit de jaren 90? De jaren 80? Dat is mijn generatie. De jaren 70? De jaren 60, 50 of vroeger? Wat een rijkdom aan stemmen en ervaringen hebben we hier samen in één ruimte. Wie van jullie is of was actief geëngageerd rond feminisme en gelijkwaardigheid? Wie noemt zichzelf een feminist?

Het is ontzettend fijn om te zien dat we hier met zo’n grote en diverse groep zijn. Want alleen met z’n allen samen kunnen we ervoor zorgen dat dit niet zomaar een ‘statische’ archieftentoonstelling is, maar een instrument kan zijn dat de lijnen verbindt tussen wat toen speelde en wat nu nog steeds urgent is.

Deel 2: De mythe van de voltooide emancipatie

Postbus 51 – televisiecampagne, 1990

Zoals ik al zei: ik ben van de generatie 1980, geboren in 1982. Ik was dus nog een kind toen de Tweede Feministische Golf op haar hoogtepunt was. Maar toen ik tussen 2000 en 2008 architectuur studeerde aan de Technische Universiteit in Eindhoven, ervoer ik daar vooral een ‘luwte’ in het feminisme. Het overheersende gevoel in die tijd was dat de strijd gestreden was. Ik groeide op met campagnes als “Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid”. In 2003 verklaarde een Nederlandse minister: “De vrouwenemancipatie is voltooid”. De boodschap was neoliberaal en simpel: als je als ‘slimme meid’ maar hard genoeg werkte, kon je dat glazen plafond wel doorbreken.

Vandaag weten we beter: de gender gaps zijn nog overal aanwezig, of het nu gaat over loon, over de health gap, of over de positie in onze eigen sector. Tijdens mijn studie leek het thema feminisme volledig te ontbreken. Ik herinner me ook slechts twee vrouwelijke docenten in acht jaar tijd, terwijl de helft van de studenten al lang vrouw was. Het besef dat er iets niet klopte, borrelde onder de oppervlakte bij mij en mijn studievriendinnen, maar het was niet top of mind in die jaren van Superdutch, iconische namen en “gouden bergen”.

De ommekeer kwam in het najaar van 2008, met het uitbreken van de economische crisis die een groot deel van de banen in de Nederlandse architectuursector wegvaagde. Enkele maanden eerder was ik afgestudeerd op – toch wel – een feministisch thema: het ontwerp van een vrouwenopvangvoorziening, ofwel een vluchthuis. Via dat thema werd ik tijdens mijn afstudeertraject ook onderzoeksassistent bij Amsterdams architect Minke Wagenaar. Met haar en een team van vrouwelijke architect-onderzoekers bezocht ik vluchthuizen door heel Nederland. Het bracht me in contact met progressieve denkbeelden en wakkerde mijn feministische bewustzijn verder aan.

Terugkijkend herinner ik me uit die periode ook gesprekken met studievriendinnen over “vrouwen in de architectuur” en dat we “daar iets mee moesten”. Het duurde nog jaren voordat die zaadjes uitkwamen en we expliciet rond feminisme in de architectuur gingen werken: Merel Pit (een van die studievriendinnen, nu hoofdredacteur van de Architect) met het magazine Mevr. de Architect in 2021, en ik met het oprichten van PAF in 2023.

Deel 3: Vier lijnen doortrekken

Terwijl we in de architectuuropleidingen in de jaren 90 en 2000 in een feministische luwte leken te zijn verzeild, rolden de feministische golven daarbuiten uiteraard volop verder. In 1989 introduceerde de Amerikaanse jurist Kimberlé Crenshaw het begrip intersectionaliteit, of kruispuntdenken. Zij maakte inzichtelijk dat uitsluitingsmechanismen die inspelen op onder andere gender, klasse en etniciteit niet los van elkaar staan, maar elkaar kruisen en versterken.

De Werkgroep Vrouwen en Wonen bracht die gelaagdheid op een bepaalde manier al in de praktijk, ondanks de afwezigheid van vrouwen van kleur of vrouwen met een beperking in hun groep. De slogan ‘Geen feminisme zonder socialisme. Geen socialisme zonder feminisme’ uit die tijd was een krachtige erkenning dat de strijd voor de vrouw onlosmakelijk verbonden is met economische en sociale rechtvaardigheid. Zij begrepen dat de positie van vrouwen, en mensen, in de samenleving direct werd beïnvloed door de manier waarop wij onze woningen en steden organiseren en vormgeven. Een intersectioneel-feministisch perspectief op architectuur, dwingt ons om de machtsstructuren in de gebouwde omgeving en de architectuurpraktijk kritisch te bevragen.

Aan de hand van vier thema’s wil ik nu de lijnen doortrekken en enkele gedachten delen over hoe dit feministische bewustzijn zich vertaalt naar de vragen van vandaag.

Thema 1: Wonen en zorgen

De Standaard, 16 september 1984 (Vlaams Archtectuurinstituut)

De Werkgroep Vrouwen en Wonen, en de initiatieven die eruit voortkwamen, stelden destijds fundamentele vragen over dit thema. In de workshops die Danie Staut als vormingswerker organiseerde, kregen vrouwen een simpele maar radicale vraag voorgeschoteld: “Hoeveel ruimte heb je eigenlijk voor jezelf in je eigen woning?” Het ging over een Room of One’s Own, over bewustwording over hoe ruimte voor vrouwen in huis vaak volledig was ingericht rond het zorgen voor anderen. Ze haalden het essay van Dolores Hayden aan: “What would a non-sexist city be like?”, die beschreef hoe het wonen in de suburbs het wonen tot een gevangenis voor de huisvrouw had gemaakt. Die Amerikaanse suburbs lagen niet ver af van het Belgische individualistische woonmodel. Ze stelden de vraag: hoe kunnen ontwerp- en planningsprincipes bijdragen aan gelijkwaardigheid? Danie Staut pleitte in het verslag van de Studiedag voor een nieuwe invulling van het ‘ik-tijdperk’ en voor het zoeken naar een nieuwe samenlevingsvormen en collectiviteit om zorgtaken eerlijker te verdelen.

Werkgroep Vrouwen en Wonen, Postkaart, 1982 (Vlaams Architectuurinstituut)

Alhoewel er sinds veertig jaar geleden een grote verschuiving heeft plaats gevonden, de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen inmiddels min of meer gelijkloopt, zijn de zorgtaken thuis nog steeds niet evenwichtig verdeeld, tonen cijfers van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen uit 2016. Bij heteroseksuele koppels met kinderen besteden vrouwen gemiddeld 4,5 uur per dag aan zorgtaken, en mannen slechts 2,5 uur. Maar verder dan de verdeling van zorgtaken, zitten we midden in een woningcrisis waar de vraag naar betaalbaar wonen en wie recht heeft op ruimte urgenter is dan ooit.

Wonen blijft dus een feministisch strijdpunt. Een collectief dat daar vandaag in België actief rond werkt is het Brusselse Angela.D. Een multidisciplinaire groep die inziet dat huisvesting een sociale marker is voor ongelijkheid. Ze koppelen activisme aan onderzoek en initiëren zelf mee collectieve woonprojecten zoals Calico in Vorst.

Dat is een solidair en intergenerationeel cohousing-project op grond van de Community Land Trust, dat door die constructie betaalbaarheid op de lange termijn waarborgt. Binnen het grotere woongebouw is Angela.D verantwoordelijk voor een deel van de appartementen waar oudere vrouwen en jonge alleenstaande moeders een gemeenschap vormen. Een ander woonproject waar Angela.D aan werkt is FEM’s, een pilootproject voor en door alleenstaande moeders, waar ze ook zelf meer inspraak in het ontwerp zoeken. Voor hen is cohousing een direct antwoord op sociaal isolement en financiële kwetsbaarheid.

Slide Angela.D, presentatie bij PAF, september 2025

Meer collectiviteit in wonen wordt vandaag – terecht – gezien als oplossingsrichting voor verschillende uitdagingen: minder ruimte innemen, meer betaalbaarheid creëren, meer gemeenschapszin en ondersteuning voor bepaalde groepen. Het is cruciaal dat we daarbij die intersectioneel-feministische lens hanteren, om te voorkomen dat deze projecten gated communities worden voor de happy few. We kunnen leren van initiatieven als de Werkgroep Vrouwen en Wonen van veertig jaar geleden, en Angela.D nu, om woonvormen te creëren die écht een meerwaarde bieden voor die groepen die door ons systeem worden beperkt.

Thema 2: Veiligheid en publieke ruimte

Els Huigens, Toetslijst Sociale Veiligheid: Station en Stationsomgeving, 1996 (Vlaams Architectuurinstituut)

Een tweede thema dat vandaag actueler lijkt dan ooit is sociale veiligheid en publieke ruimte. De Werkgroep werkte hier in de jaren 80 en 90 aan, en Els Huigens stelde in de jaren 90 Toetslijsten Sociale Veiligheid op voor stations en hun omgeving, in opdracht van toenmalig minister Miet Smet.

De aanbevelingen over sociale veiligheid gingen onder andere over ‘informeel toezicht’: zien en gezien worden. Ze pleitten voor overzichtelijkheid, goede verlichting en voor woningen met zicht op de straat in plaats van blinde muren of garageboxen. Als we de lijsten van Els erbij pakken, kunnen we onszelf de vraag stellen hoeveel van deze punten we eigenlijk écht kunnen afvinken in de publieke ruimte vandaag?

Want de realiteit is dat het gesprek over veiligheid in de publieke ruimte nog steeds gaande is. Deze zomer zagen we nog ‘Wij Eisen de Nacht op’-demonstraties in Nederland, en discussies ook in België (denk aan Soundos El Ahmadi bij De Afspraak): een directe reactie op de schokkende gevallen van femicide en straatintimidatie. Uit een onderzoek van Plan International België uit 2019 blijkt dat 91 procent van de meisjes of jonge vrouwen ooit grensoverschrijdend gedrag heeft ervaren in de publieke ruimte. Het gevoel van onveiligheid is gestoeld in de realiteit en kan niet van tafel geveegd worden. En tegelijkertijd tonen cijfers dat vrouwen meer risico lopen om in de thuissituatie slachtoffer te worden van geweld en femicide. Het is allemaal deel van eenzelfde maatschappelijk probleem én dus complex. Els Huigens had het hier al over: sociale veiligheid gaat over een subjectief veiligheidsgevoel, en het is een thema waar we genuanceerd aan moeten werken.

Vandaag zijn er gelukkig dan ook diverse initiatieven in België die werken op het genderinclusiever maken van de stedelijke ruimte, om er hier maar enkele te noemen: de eind vorige jaar gepresenteerde toolbox The Feminine City door SAAMO en Endeavour, de publicatie over gender en de stad door JES van enkele jaren terug, het project Girls make the city van ZIJkant en Wetopia, en het recent gepubliceerde rapport van het Brussels Gewest dat de diagnose maakt van de genderinclusiviteit van de stedelijke ruimte.

En ook hier weer is een intersectionele blik belangrijk. Dat betekent dat ons gesprek sowieso breder moet gaan dan ‘vrouwen’: het thema veiligheid en een gevoel van onveiligheid op straat, speelt ook sterk voor veel queer en trans personen bijvoorbeeld. Vorige maand nog werd onderzoek gedeeld waaruit blijkt dat fysiek en verbaal geweld tegen LGBTQIA+-personen toeneemt.

En er is meer om opmerkzaam op te zijn. Catherine Koekoek waarschuwt ons in haar recente essay op Archined dat we waakzaam moeten zijn hóe die roep om veiligheid wordt ingezet. ‘Veiligheid voor vrouwen’ mag geen uitsluitingsagenda worden. Wanneer pleinen worden heringericht onder het mom van ‘vrouwvriendelijkheid’ kan dat het gevolg hebben dat juist andere gemarginaliseerde groepen worden verdreven, denk aan dakloze mensen of jongens van kleur. Koekoek noemt dit ‘carceral feminism’ of opsluitingsfeminisme: een reflex waarbij we inzetten op meer politie, camera’s en surveillance in plaats van op echte en structurele gelijkwaardigheid.

De publieke ruimte is bij uitstek de plek waar onze democratie vorm krijgt. Als vrouwen of gemarginaliseerde groepen zich daar niet welkom en veilig voelen, dan faalt ons ontwerp en beleid. We willen een stad die ontworpen is vanuit zorg en voor iedereen. En zoals Els Huigens het zegt in de tentoonstelling: “je moet met beide voeten in de maatschappij staan” om als ontwerper je opdracht goed uit te kunnen voeren.

Thema 3: Vakvrouwen en de leaky pipeline

Verslag studiedag ‘Wonen en woonomgeving vanuit vrouwen bekeken’, 1984 (Vlaams Architectuurinstituut)

Een derde les gaat over het vak zelf. Het architect-zijn. Er is veel veranderd sinds de jaren 80 en toch ook veel niet. Op de studiedag in 1984 was er een themagroep ‘vak-vrouwen’. Daar spraken deelnemers over hoe het bewustzijn bij vakgenoten te vergroten, en wat de meerwaarde was van “de uitwisseling van onze grieven.” Een heel herkenbare passage, die zo uit een verslag van een PAF-gesprek zou kunnen komen.

Alhoewel er heel wat meer vrouwen actief zijn in de sector – inmiddels 40% van de ingeschreven architecten (goed nieuws!), blijft de leaky pipeline een realiteit: na hun 35ste vertrekken vrouwen massaal, terwijl de instroom vanuit de studie al decennia 50/50 is. Uit het vorig jaar gepubliceerde Equilibre-onderzoek bleek dat een gemiddelde loopbaan van vrouwelijke architecten 10 jaar is, en van mannen 25 jaar.

Dit komt door een geheel van maatschappelijke en sectorspecifieke oorzaken, zoals een systeem dat niet is ingericht op zorgtaken. Het idee is genormaliseerd dat een ontwerpcarrière en moederschap moeilijk samengaan.

En ‘vrouwen’ is hier maar één deel van het gebrek aan meerstemmigheid. In de architectuursector zijn ook weinig mensen van kleur of mensen met een migratieachtergrond zichtbaar, of bijvoorbeeld mensen met een beperking. Terwijl onze sector, die vormgeeft aan de gebouwen en steden waarin we leven, nu juist een afspiegeling van de maatschappij zou moeten zijn.

Overigens ‘verdwijnen’ die vrouwen die ‘weglekken’ natuurlijk niet echt, maar werken zij in allerlei andere rollen in en rond de sector: bij overheden, opdrachtgevers, op universiteiten, in de cultuursector, enzovoorts. Net zoals dat het geval was bij heel wat van de vrouwen uit de Werkgroep Vrouwen en Wonen in de jaren 80 en 90. Toch is de statistiek waardevol, omdat dit een collectief probleem van onze sector aantoont. Het is niet slechts een optelsom van vrouwen en mensen die individueel een bepaalde keuze maken.

En dat collectieve probleem, die cultuur, verandert niet vanzelf. Niets doen is de patriarchale norm bevestigen. We hebben actieve sturing op verandering nodig, op alle lagen: in de bureaus, in het beleid en in de culturele programmering.

En terugkomend op die intersectionaliteit, ‘geen feminisme zonder socialisme’ of ‘feminisme voor de 99%’: we willen met een debat over “vrouwen in de architectuur” niet vervallen in een ‘Lean In’-feminisme dat ons oproept het spel mee te spelen, en dat stopt bij het gesprek over vrouwen in topfuncties. Het gaat om de positie van vrouwen en mensen, aan het bouwen aan een rechtvaardige samenleving, en wat we daaraan vanuit onze positie als ontwerper, onderzoeker of beleidsmaker kunnen bijdragen.

Thema 4: Weven aan netwerken

Werkgroep Vrouwen en Wonen op de Vrouwendag in 1982 met Danie Staut (links) en flyer (rechts), 1982 (Vlaams Architectuurinstituut)

De laatste les is die van het belang van het bouwen van netwerken als feministische praktijk. De Werkgroep Vrouwen en Wonen was een fluïde groep. Geen duidelijk afgebakende organisatie, maar een verweven netwerk van individuen in veranderende rollen en posities, met verschillende professionele achtergronden, en in verschillende samenwerkingen met de vrouwenbeweging, vrouwenhuizen, vormingswerk, enzovoort.

Dat is een les voor ons vandaag: we moeten een krachtig netwerk weven van bondgenoten. Allianties tussen academici, praktijkmensen, activisten en beleidsmakers, waarin iedereen zijn eigen rol opneemt.

Dat roept ook de vraag op: hoe weven we aan dat netwerk op een zorgzame manier? Vorig jaar organiseerden we met PAF en L'architecture qui dégenre (een Brusselse feministische organisatie die sinds 2019 de Matrimoniumdagen organiseert) de Feminist Architecture Assembly. Daar brengen we personen en organisaties samen van verschillende generaties, van weerszijden van de taalgrens, die op een of andere manier actief zijn rond feminisme en architectuur. Het is een van de manieren waarop we willen weven aan de netwerken vandaag, en waarin we die continuïteit zoeken die voor de Werkgroep Vrouwen en Wonen, en de daaruit voortkomende initiatieven soms moeilijk is gebleken. Want veel van dit werk is nog steeds (deels) vrijwilligerswerk. Samenwerken en elkaar versterken is dan essentieel.

Evelien Pieters tijdens de vernissage © Dieter Daniëls

Maar er zijn heel wat mensen, organisaties en projecten vandaag en de afgelopen jaren in België en daarbuiten, die zich inzetten voor een feministische en rechtvaardige stad en ontwerpsector. Ik schetste een overzicht, dat zeker niet volledig is, maar de rijkdom toont: van L’architecture qui dégenre die ik al noemde, een studentencollectief zoals Third Culture Architecture & Art die seksisme en discriminatie in het onderwijs aanklagen, tot academici als Hilde Heynen, Lara Schrijver en Luce Beeckmans die gender, feminisme en dekolonisatie agenderen en bestuderen, en ontwerpers en bureaus die actief rond inclusiviteit werken zoals Büro Juliane Greb, Aya Akbib en Sophia Holst. En projecten zoals Wiki Women Design gestart door Nina Serulus bij het VAi (en sinds kort mijn partner bij PAF) en nu dit onderzoek en deze tentoonstelling door Bart Decroos.

We moeten ons best doen om deze netwerken te versterken, inzichten te delen en te doen aan ‘zelf-historisering’. We bouwen op de schouders van de generaties voor ons, maar we moeten ook zorgen dat onze eigen schouders stevig genoeg zijn voor wie na ons komt.

Deel 4: Slot

En dat brengt me bij een laatste oproep als afronding. Ik sta hier als veertiger, als kind van de jaren waarin de Werkgroep Vrouwen en Wonen actief was, en nu midden in een nieuwe feministische golf. En graag wil ik jullie in het publiek van mijn generatie aanspreken: laten we die breed opvatten – de eind-dertigers, veertigers en vijftigers van nu, en van welk gender dan ook. Wij komen nu op de beslissende posities, en hebben een bepaalde macht en privilege. Het is aan ons om die verantwoordelijkheid serieus te nemen en de weg vrij te maken voor de jonge generatie. Ik zie en spreek een jonge generatie die enorm geëngageerd is, maar ook zoekend en tegen drempels aanlopend door de grote maatschappelijke druk, crisissen en de hardnekkige barrières in onze sector.

Dus, laten we er actief op letten om die ‘Queen Bee’-mentaliteit achterwege laten zoals dat genoemd werd in de tweede feministische golf: de bijenkoningin die haar plek in het patriarchale systeem heeft bevochten en vervolgens de deur voor anderen dichthoudt. Laten we wegblijven van competitie maar zorgzaamheid vooropstellen. Laten we naar een ander icoon uit de tweede feministische golf Angela Davis ‘Lift as you climb’ als ons gezamenlijk motto nemen.

Én: laten we die meerstemmigheid aan de ontwerptafel opeisen. Niet omdat we simpelweg meer vrouwen en meer diverse stemmen in het vak willen, maar omdat we strijden voor gelijkwaardigheid in de maatschappij en in onze sector. We moeten die plek aan tafel gebruiken om een rechtvaardiger wereld te ontwerpen. Dat betekent dat we ruimtes creëren die zorg ondersteunen, die veiligheid bieden zonder groepen uit te sluiten, en die barrières slechten in plaats van ze op te werpen.

Daarvoor moeten we een breed gedeeld feministisch bewustzijn aanwakkeren in alles wat we doen, bouwen, tekenen en bespreken. Deze expo is daarvoor een prachtig instrument, en ook in de gesprekscirkels zetten we de komende maanden het gesprek voort. Laten we de lessen van toen meenemen en dit werk samen voortzetten.

Curator Bart Decroos tijdens de Vernissage © Dieter Daniëls

Volgende
Volgende

Report: Bodies That Don’t Fit: Architecture’s Missing Perspectives - KU Leuven x PAF