Verslag: Publieke ruimte en sociale veiligheid
Op uitnodiging van het Vlaams Architectuurinstituut brengt PAF op 8 mei voor de tweede keer een diverse groep ontwerpers, onderzoekers, activisten en studenten samen in de expo Unfolding the Archives #9 Feministische perspectieven 1980–1990. De expo richt zich op de netwerken rond de studiedag ‘Wonen en woonomgeving vanuit vrouwen bekeken’, georganiseerd in 1984 en de toenmalige ‘Werkgroep Vrouwen en Wonen’ die actief was in de jaren 80. Centraal staat deze keer de publieke ruimte: wie voelt zich er welkom en hoe geven we vorm aan een inclusieve publieke ruimte? Hoe kunnen ontwerp, beleid en collectieve actie bijdragen aan een publieke ruimte waarin toegankelijkheid, zorg en het recht om aanwezig te zijn centraal staan?
Het gesprek, gemodereerd door Evelien Pieters (PAF), verbindt stemmen uit verschillende generaties. Aan tafel zitten landschapsarchitect Els Huigens, oprichtster van Fris in het Landschap, die in de jaren 1990 werkte rond sociale veiligheid in stationsomgevingen en deel was van de werkgroep Vrouwen en Wonen, Julie Van Garsse, directeur van ZIJkant, Bárbara Jarque, een van de deelneemsters van het traject Girls Make The City in Oostende, en onderzoekers Esra Aktan en Lena Verlooy, die elk vanuit hun eigen masterthesis inzoomen op de beleving van vrouwen met een migratieachtergrond in de publieke ruimte.
Al snel wordt duidelijk dat de thema’s rond publieke ruimte en sociale veiligheid, die in de jaren 1980 en 1990 de debatten kleurden, opvallend actueel blijven. ‘Het is geen afgewerkt verhaal,’ stelt Bart Decroos van het VAi bij de introductie van de expo. Wat in de tentoonstelling zichtbaar wordt, zijn geen afgesloten hoofdstukken uit de architectuur- en ontwerpgeschiedenis, maar sporen van een voortdurende zoektocht naar een inclusievere gebouwde omgeving.
Foto’s: Nina Serulus en Tine Pillaert (PAF)
Tekst: Tine Pillaert (PAF)
Toetslijsten sociale veiligheid
Els Huigens blikt terug op haar betrokkenheid bij de Werkgroep Vrouwen en Wonen in de jaren 1980, een periode waarin kritiek groeit op de klassieke gezinswoning. In de jaren 90 trekken mensen weg uit de steden en neemt verkaveling toe aan de rand van steden en dorpen met als gevolg een afnemende kwaliteit van de publieke ruimte en stadsverloedering. De ontwikkeling van monofunctionele gebieden verdringt multifunctionele ruimte zoals pleinen, parken, levendige straten en de markt. Het gemeenschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel voor straten en pleinen wordt ingeruild voor de individuele woning die als veilig fort wordt gezien.
Dat engagement mondt begin jaren 1990 uit in de ontwikkeling van de ‘Toetslijsten sociale veiligheid’, die Huigens opstelde in opdracht van toenmalig minister Miet Smet. De lijsten moeten ontwerpers, beleidsmakers en actiegroepen helpen om publieke ruimte systematisch te evalueren. Huigens vertelt hoe ze in die periode treinstations in Vlaanderen en Nederland bezoekt om te observeren hoe die zijn vormgegeven en hoe vrouwen zich door die ruimtes bewegen. Vanuit die observaties groeit een methodiek die veiligheid niet enkel als een technisch vraagstuk beschouwt, maar als een sociaal en ruimtelijk samenspel. ‘Door de veranderende publieke ruimte moesten we anders gaan nadenken over mobiliteit, samenwonen en hoe we ons bewegen in de publieke ruimte’, vertelt ze.
Beeld: presentatie van Els Huigens
Toch waarschuwt ze voor een te eenvoudige invulling van sociale veiligheid. ‘Er moet plaats zijn voor verrassing, spanning, ontmoeting. Je moet je kunnen terugtrekken en ergens kunnen hangen, maar ook kunnen demonstreren en activistisch zijn.’ Volgens Huigens gaat sociale veiligheid daarom niet alleen over ruimtelijke ingrepen zoals extra verlichting of groen, maar ook over bredere sociale structuren en over publieke ruimte die voor iedereen leesbaar en toegankelijk is.
Belangrijk daarbij is collectieve actie. De toetslijsten zijn bedoeld om plannen in de stedenbouwkundige- en bouwplanfase te ontwikkelen of te toetsen op sociale veiligheid voor ontwerpers en beleidsmakers, maar ook om ‘van onderuit’ gebruikt te worden, zodat buurtgroepen en actiegroepen zelf bestaande situaties kunnen evalueren en druk kunnen uitoefenen op beleid. ‘Het beleid is toch vaak gevoelig voor wat van onderuit komt’, stelt Huigens.
De impact van de toetslijsten en het concrete gebruik ervan is moeilijk te achterhalen. Els Huigens geeft zelf aan niet goed te weten in welke mate ze effectief werden toegepast. Vandaag blijven veel van de vragen en aandachtspunten uit de toetslijsten merkbaar actueel.
Beeld: presentatie van Els Huigens
Waar zijn de meisjes in de publieke ruimte?
‘Waarom zien we veel jongens buiten, maar veel minder meisjes?’ Met die vraag start Girls Make The City, een participatief traject van ZIJkant en Wetopia. Julie Van Garsse, directeur van ZIJkant,vertelt hoe meisjes vanaf een bepaalde leeftijd haast lijken te verdwijnen uit parken, skatepleinen en sportterreinen, terwijl jongens zichtbaar aanwezig blijven in de publieke ruimte.
In Brusselse wijken, Oostende en Genk brengt het project meisjes met uiteenlopende achtergronden samen in langdurige co-creatietrajecten. Niet via klassieke inspraakmomenten, maar door samen publieke ruimte te analyseren en te transformeren. In de Marollen in Brussel bijvoorbeeld werken meisjes uit sociale woonblokken samen met skaters en leerlingen uit de buurt. ‘Door samen workshops te volgen en interventies uit te werken, ontstaat langzaam een ander soort verbondenheid tussen groepen die elkaar anders niet spreken,’ vertelt Van Garsse. De ingrepen en social designs die uit de trajecten voortkomen zijn ingrepen die met weinig geld en met vrijwilligers gemaakt en uitgevoerd worden. 'We focussen niet op de problemen maar op het potentieel van wat er al is en wat de ruimte te bieden heeft.’ Zo organiseren ze zelf skatelessen voor en door meisjes en gericht op vrouwelijke voorbijgangers. ‘Meisjes die niet zo goed durfden tussen die jongensgroepen te skaten, die konden zich dat terrein een beetje eigen maken, waardoor je een andere dynamiek krijgt.’
Helaas blijft straatintimidatie een terugkerend thema voor vele meisjes en vrouwen. ‘Dat blijft de olifant in de kamer,’ zegt Van Garsse. Door ervaringen met grensoverschrijdend gedrag blijven veel meisjes weg van bepaalde plaatsen. Met projecten als Wall of Truth aan de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Kapellekerk in Brussel – een publieke muur waarop ervaringen met straatintimidatie gedeeld kunnen worden – en het spel City Confessions – een interactief en educatief bordspel, ontwikkeld in samenwerking met de onderzoeksgroep Gender en Diversiteit van de VUB (RHEA) en spelontwikkelaars De Aanstokerij, om op een ludieke en laagdrempelige manier bewustwording rond seksueel grensoverschrijdend gedrag in (semi-)publieke ruimtes te vergroten – proberen ze dat bespreekbaar te maken. De cases in het spel komen voort uit de input en getuigenissen van de meisjes en wordt nu geüpdatet naar de ervaringen van jongens en mannen om zo ook meer mannen te betrekken bij het spelen van het spel.
Beelden: Girls Make The City, een initatief van ZIJkant en Wetopia
Onderzoek toont dat meisjes vanaf ongeveer negen jaar steeds minder zichtbaar worden in de stad, terwijl sport- en speelterreinen vaak impliciet afgestemd blijven op gebruik door jongens. Daarom pleiten Julie Van Garsse en Bárbara Jarque, een deelnemer van Girls Make the City, voor het (re)claimen van de publieke ruimte, waarbij voldoende vrouwelijke aanwezigheid in het straatbeeld een belangrijke rol speelt. ‘Als er meer vrouwen zijn, durven andere vrouwen ook buiten komen,’ stelt Jarque. Ze benadrukt daarnaast dat publieke ruimte meisjes ook de kans moet geven om zelfvertrouwen op te bouwen en ruimte actief in te nemen. In Oostende activeerden de meisjes daarom de kiosk in het Leopoldpark met een lichtpad, banken en ze organiseerden communitypicknicks. ‘(Re)claiming public space en het gevoel krijgen dat je ergens mag zijn, is cruciaal.’
Volgens Van Garsse is de impact van deze trajecten groot, zowel op de meisjes zelf als op beleidsniveau. Beleidsmakers hebben oor naar initiatieven die van onderuit komen en die de stem laten horen van groepen die vaak moeilijker te bereiken zijn, zoals jongeren met een migratieachtergrond.
De wijk lezen
Na de pauze vullen Esra Aktan en Lena Verlooy het gesprek naadloos aan vanuit hun eigen onderzoek naar hoe vrouwen met een migratieachtergrond publieke ruimte beleven, respectievelijk in Rotterdam en Antwerpen-Noord. Waar Aktan vertrekt vanuit een antropologie thesis benadert Verlooy het onderwerp vanuit stedenbouwkundig onderzoek.
Aktan heeft een Turkse achtergrond en groeit op in het Oude Westen, een diverse wijk in Rotterdam. Ze vertelt over hoe ze als kind samen met haar moeder – die op latere leeftijd naar Nederland kwam – de stad ontdekte en hoe het is om op te groeien in een land met een andere achtergrond. ‘Voor mij bleek het uiteindelijk toch makkelijker te zijn dan voor mijn moeder.’ Ze deelt hoe haar relatie met de wijk veranderde naarmate ze ouder werd. Waar de buurt als kind vertrouwd aanvoelt, begint ze als adolescent vooral een gevoel van onveiligheid te ervaren door het zien van dakloosheid, drugsgebruik en een gevoel van onvoorspelbaarheid. Vanuit die ervaringen besluit ze onderzoek te doen naar hoe vrouwen met een migratieachtergrond zich thuis voelen in de Rotterdamse wijk het Oude Westen.
Tijdens haar onderzoek volgt ze vrouwen gedurende meerdere maanden, niet via formele interviews – ‘die bleken vaak te intimiderend voor de vrouwen’ – maar aan de hand van veldwerk, participerende observatie en wandel interviews door de wijk. ‘Via deze methodieken zie je dingen die niet aan tafel ter sprake komen,’ zegt Aktan. Zo ontdekt ze hoe sterk vrouwen mee zorg dragen voor hun wijk door geveltuintjes neer te zetten en naaicafés, kookgroepen en buurtwerkingen te organiseren. Die informele ontmoetingsplekken werken verbindend en geven de vrouwen een gevoel van veiligheid en herkenning. ‘Wat ik merkte was dat het voor hen belangrijk is om in de publieke ruimte samen te komen in een privé setting. Daar voelen de vrouwen heel erg die veiligheid.’
Tegelijk toont haar onderzoek ook hoe kwetsbaar die netwerken zijn. Op maandagen naaide een groep vrouwelijke vrijwilligers warme gordijnen, die ze schonken aan buurtbewoners die ze goed konden gebruiken. Op vrijdagen was er het naaicafé, een van de weinige plekken in de wijk waar vrouwen van allerlei verschillende culturen bijeen kwamen. Tijdens Aktans onderzoek stopte dit naaicafé omdat de subsidieregels strenger werden en de subsidie wegviel, met als gevolg dat deze groep vrouwen uiteen viel. Opnieuw duikt dezelfde vraag op voor deze vrouwen: ‘hoor ik hier nog wel thuis?’ Aktan concludeert dat vrouwen met een migratieachtergrond zich veiliger voelen in ruimtes waar vertrouwen en herkenning aanwezig zijn, waar ze routines kunnen opbouwen en deel kunnen uitmaken van een groep met gedeelde waarden. Het kunnen innemen van een eigen plek als privégroep binnen publieke ruimtes speelt hier een grote rol.
fotomateriaal uit het academisch onderzoek van Esra Aktan: Onderzoek naar hoe vrouwen met een migratieverleden zich thuisvoelen in het Oude Westen
In haar masteronderzoek Ik ben hem niet (2023) onderzoekt Lena Verlooy hoe vrouwen met een migratieachtergrond zich door Antwerpen-Noord bewegen. Ze vertrekt vanuit hoe de mannelijke en dominante blik in ruimtelijke planning op drie niveaus terugkomt: in de bebouwde fysieke omgeving, fysieke stad, publieke plaatsen en diensten, in de emotionele, symbolische en mentale stad, en in de discours, theorieën en praktijken. 'We moeten op al die verschillende lagen ingrijpen als we een meer feministische publieke ruimte willen’, benadrukt Verlooy. Ze haalt aan dat we naar een participatief model van plannen moeten gaan, vertrekkend vanuit de concrete problemen op de plek. Zo werkte ze mee aan het project ‘Ruimte publiek maken’ in samenwerking met SAAMO, Endeavour, Red Starline Museum en de Permeke bibliotheek waarbij ze onderzoek deden vanuit Antwerpen-Noord, een aankomstwijk waar veel nieuwkomers wonen en waar de mannelijke dominantie opvalt. Ze buigen zich met een groep vrouwen in een ruimte in de bib over de vraag wat die ruimte kan betekenen om de wijk vrouwvriendelijker te maken.
Die mannelijke dominantie blijkt ook tijdens een actie-onderzoek op het Koninklijk Plein waarbij ze slechts dertien vrouwen op honderd passanten tellen in de straat, een aantal dat ’s avonds nog verder daalt. Verlooy deed mee aan acht workshops met een vrouwengroep, voerde interviews met wijkwerkers en onderzocht via participatief actieonderzoek alternatieve vormen van planning waarbij het proces steeds belangrijk was. Samen met de vrouwen ging ze in gesprek over de publieke ruimte via mental mapping: vertrekkend vanuit gevoelens en emoties, bouwden ze stap voor stap verder naar een ruimtelijke taal door op kaart te werken.
Fotomateriaal uit de masterscriptie van Lena Verlooy: ‘Ik ben hem niet: actie-onderzoek naar de stedelijke beleving van vrouwen met een migratieachtergrond in Antwerpen Noord’ (2023)
De resultaten van haar onderzoek komen grotendeels ook in andere studies terug. ‘Er is nood aan meer straatverlichting, publieke toiletten, groen en beter openbaar vervoer – basisvoorwaarden waarop we verder moeten werken.’ Tegelijk wijst Verlooy erop dat er meer aandacht nodig is voor specifieke ruimtevormen waarin verschillende doelgroepen gehoord worden. Daarnaast is het volgens Verlooy belangrijk om na te denken over programmatie gericht op vrouwen. De publieke ruimte is in theorie voor iedereen, maar wordt in de praktijk nog vaak door mannen gedomineerd. Daarom kan het helpen om bepaalde plekken of momenten specifiek voor vrouwen open te stellen, bijvoorbeeld een borstvoedingsruimte of een kindvriendelijke plek die vrouwen uitnodigt om meer gebruik te maken van de publieke ruimte.
In beide onderzoeken wordt veiligheid in de publieke ruimte uiteindelijk niet uitsluitend gekoppeld aan infrastructuur of controle. Sociale veiligheid ontstaat eerder op het kruispunt van fysieke en mentale ruimte: vertrouwen, herkenning en het gevoel dat je je aanwezigheid niet voortdurend moet verantwoorden.
Hoe bouwen we nu aan een echte inclusieve publieke ruimte?
Als afsluiting verschuift het gesprek naar een bredere vraag: hoe bouwen we vandaag aan een échte inclusieve publieke ruimte? Daarbij wordt al snel duidelijk dat er geen eenduidige antwoorden bestaan. Een deelnemer uit twijfels bij het idee van exclusieve vrouwenruimtes, terwijl anderen net wijzen op het belang van overgangszones en semi-publieke plekken waar vrouwen zich geleidelijk ruimte kunnen toe-eigenen. Groen, beschutting en plekken om te verblijven zijn daarin belangrijk: ruimtes waar huiselijke zorgtaken even mogen verdwijnen en waar je simpelweg kan zijn.
Ook programmatie komt terug als een manier om publieke ruimte tijdelijk te claimen en open te breken voor andere gebruikers. Tegelijk komt voort uit het gesprek dat inclusieve publieke ruimte verdergaat dan louter fysieke ingrepen. Een basketbalveld met een atletiekpiste en bankjes errond kan verschillende groepen samenbrengen, maar sociale veiligheid vraagt evenzeer om systemische verandering. Meerdere deelnemers wijzen daarom op het belang van mentaliteitsverandering, bystandertrainingen en educatie rond grensoverschrijdend gedrag, al vanaf de lagere school.
Doorheen het gesprek komt steeds duidelijker naar voren dat publieke ruimte niet alleen ontworpen wordt door architecten of stedenbouwkundigen, maar ook gevormd wordt door sociale structuren, gemeenschapsvorming en burgerschap. 'We moeten schakelen tussen op de juist plek bankjes plaatsen en het systemische,' klinkt het. Dat vraagt om een interdisciplinaire aanpak, met sociologen, ontwerpers, activisten en buurtwerkingen die samen nadenken over hoe mensen zich tot hun omgeving verhouden.
Misschien ligt net daar de kern van een inclusieve publieke ruimte: niet in één perfecte oplossing, maar in het voortdurend blijven oefenen, programmeren, onderhandelen en zorg dragen voor plekken waar verschillende vormen van aanwezigheid mogelijk worden.