Verslag: Feministische perspectieven aan tafel: #1 Vakvrouwschap
Op 2 april 2026 opende in het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) de tentoonstelling Unfolding the Archives #9 Feministische Perspectieven 1980-1990. In het kader van deze tentoonstelling werd Platform voor architectuur & feminisme (PAF) uitgenodigd om een reeks van vier gesprekken te organiseren. De reeks bouwt voort op de netwerken rond de studiedag ‘Wonen en woonomgeving vanuit vrouwen bekeken’ (1984) en de toenmalige ‘Werkgroep Vrouwen en Wonen’. Op vrijdag 26 april 2026 vond de eerste gesprekscirkel plaats, die in het teken stond van vakvrouwschap. Met vijf generaties ontwerpers rond de tafel trekken we de lijnen uit de tentoonstelling door tot vandaag. Aanwezig zijn Joke Vermeulen (°1969), medeoprichter en zaakvoerder van Compagnie-O; Inge Vinck (°1973), medeoprichter en zaakvoerder van AJDVIV / IVJDVA en docent aan de Kunstakademie Düsseldorf; Lauren Dierickx (°1981), zaakvoerder van LDSRa; en Zeynep Topçu (°1993), architect bij BC architects & studies en docent aan de KU Leuven. Lien Baele, architect bij BRarchitects en docent aan de KU Leuven, moest zich helaas verontschuldigen.
Foto’s: Dieter Daniëls voor VAi
Tekst: Tine Pillaert
Lees ook de verslagen van de drie andere gesprekscirkels die PAF in de expo organiseerde. Zo krijg je een volledig overzicht van alle gesprekken die we hebben gevoerd.
Feministische perspectieven aan tafel: #3 Activisme als praktijk (binnenkort beschikbaar)
Feministische perspectieven aan tafel: #4 Vrouwenbeweging (binnenkort beschikbaar)
Evelien Pieters (PAF) opent de sessie en situeert de tentoonstelling als een onderzoek naar feministische netwerken en archieven uit de jaren 1980 en 1990. Centraal in de expo staan vier stemmen uit de ‘Werkgroep Vrouwen en Wonen’: Danie Staut, Els Huigens, Gerd Van Limbergen en Leen De Becker. Een archiefbeeld van de studiedag in 1984 toont hoe zij destijds samen rond de tafel zaten: een beeld dat vandaag symbolisch wordt hernomen, met Gerd vandaag opnieuw als deelnemer. Zoals gebruikelijk bij PAF start het gesprek met een kennismakingsronde. Evelien peilt naar de professionele achtergronden én naar de aanwezige generaties. Het doel van vandaag is duidelijk: het gesprek uit de jaren 1980 en 1990 intergenerationeel voortzetten.
Curator Bart Decroos (VAi) vult aan met de context van de tentoonstelling. Dit is geen klassieke expo over een eenduidige ontwerppraktijk, maar toont een samenhangend netwerk van initiatieven en debatten tijdens de tweede feministische golf in Vlaanderen. Aangezien de nog bestaande archiefdocumenten schaars zijn, ging Bart in gesprek met vier pioniers om deze verhalen verder te ontsluiten. De tentoonstelling wordt aangevuld met een tijdlijn van internationale feministische architectuurinitiatieven, opgebouwd met input van recente workshops die georganiseerd werden op op de Feminist Architecture Assembly in 2025, een initiatief van PAF en L’architecture qui dégenre. Deelnemers worden uitgenodigd om ze verder aan te vullen en te verbinden met het heden.
De ruimte weerspiegelt deze opzet: aan de ene wand archiefmateriaal uit de VAi-collectie, aangevuld met materiaal uit privéarchieven die op zolders en in kelders werden teruggevonden, en aan de andere zijde groeit een tijdlijn. Daartussen staat een lange tafel, gevuld met documenten, beelden en publicaties, waarrond sprekers en publiek samen plaatsnemen. Het gesprek van vandaag vertrekt vanuit drie historische reflecties over ‘vakvrouwschap’: een artikel dat Danie Staut in 1981 schreef, het gesprek tijdens de sessie over ‘vakvrouwschap’ op de studiedag in 1984 met vier generaties en de masterthesis Vrouw en bouw van Elisa Meijer, geschreven in 1997.
AUTEURSCHAP & POSITIONERING
Via een videofragment komt Danie Staut zelf aan het woord, waarin ze vertelt hoe haar eerste project, terugkijkend, symbool staat voor haar positie in het vak. Ze blikt terug op haar parcours als jonge architect: van prijswinnend stagiair tot medeoprichter van het bureau Architektenwerkgroep Danie Staut b0b Van Reeth. Daarbij vertelt ze over haar zoektocht naar autonomie, vrijheid en zorg dragen binnen zowel het vak als haar persoonlijke leven, die ze vond in het vrouwenhuis in Leuven.
In die geest wordt het gesprek vandaag verder gezet met sprekers uit verschillende generaties: Joke Vermeulen, Inge Vinck, Lauren Dierickx en Zeynep Topçu. Samen met het publiek bouwen zij voort op de vragen van toen en openen ze het gesprek naar vandaag.Als vertrekpunt werd hen gevraagd zich voor te stellen aan de hand van een beeld of project dat hun positie binnen het vak weerspiegelt.
Joke Vermeulen brengt geen project mee, maar een nieuwjaarskaart van Compagnie-O. Het beeld toont het team — grotendeels vrouwen, niet uit intentie maar ‘omdat we gewoon selecteren op mensen die we interessant vinden’ — samen met de metaforische slogan: fly with the chickens or scratch with the eagles. Het beeld staat voor een bewuste keuze om zich te verbinden met het alledaagse en met anderen, eerder dan met het klassieke idee van de individuele ‘toparchitect’. Tegelijk benoemt ze de spanning die blijft: ‘Het is een constante strijd om gezien te worden in een nog altijd macho wereld.’
Inge Vinck toont een foto waarop ze boven of liever in een vals plafond kijkt. Deze foto laat zien dat het belangrijk is om verder te kijken en om dingen te vinden waar je ze niet verwacht. Tijdens deze sessie symboliseert het beeld haar positie: ze is aanwezig, maar vaak op de achtergrond. "Ik verberg mezelf vaak. Dit komt deels door mijn terughoudendheid, maar ook omdat ik het niet zo belangrijk vind om in de schijnwerpers te staan" zegt ze. Toch groeit het besef dat zichtbaarheid ook een verantwoordelijkheid met zich meebrengt. ‘Ik voel dat ik een rol heb naar de jongere generatie toe om als architecte gewoon zichtbaar te zijn.’
De foto kan in dit geval gezien worden als een pleidooi voor het zien en waarderen van het werk dat de ‘onzichtbare’ personen leveren in een architectenbureau.
Lauren Dierickx brengt het collectief project ‘Urbis Beukenbos - Bouwaanvraag’ mee: fictieve voorstellen voor de stad, ontwikkeld met studenten en collega’s. Voor haar ligt auteurschap niet bij één persoon, maar in het proces zelf. ‘Niet wachten tot het grote licht komt, maar in dialoog iets vormgeven en zelf actie ondernemen biedt veel meer vrijheid, mogelijkheden en kansen.’ Ze geven ruimte aan andere stemmen, ook de minder gehoorde, zoals die van bewoners en van niet-menselijke actoren zoals flora, fauna en de stad.
Zeynep Topçu toont een beeld van haar eerste werf, waar ook de arbeiders zichtbaar zijn. Het benadrukt voor haar het belang van communicatie en erkenning binnen de bouwpraktijk. ‘Ik vind het belangrijk dat we in gesprek gaan met degenen die het gebouw maken en de ambachten terug zichtbaar worden.’ Ze kenmerkt haar positie door te leren en observeren, maar ook door het zoeken naar manieren om circulair en zorgzaam te bouwen, met aandacht voor bestaande structuren en kennisdeling.
Een terugkerend onderwerp in het gesprek is hoe vrouwen in de sector worden bekeken en behandeld. Joke Vermeulen benoemt hoe gendergebonden percepties het professionele aspect blijven overschaduwen, vaak subtiel maar hardnekkig en dat erkenning niet lineair groeit met leeftijd: ‘Ze verdwijnt of verschuift eerder naarmate je ouder wordt.’Die verschuiving hangt samen met een breder structureel probleem. Er is een opvallend tekort aan vrouwelijke rolmodellen die langdurig actief blijven in de praktijk. Binnen deze contexten wordt discriminatie expliciet benoemd in het gesprek. Volgens Vermeulen schuilt het probleem niet in hoe individuen met deze situaties omgaan, maar in het systeem dat ze voortbrengt. Het voortdurend ontwikkelen van persoonlijke strategieën om hiermee om te gaan — zich extra bewijzen, aanpassen, anticiperen — wordt in vraag gesteld. Die structurele scheeftrekking wordt vaak extra zichtbaar op de werf, waar mannelijke dominantie nog sterker doorweegt. Vrouwelijke architecten krijgen minder vanzelfsprekend erkenning toegekend en worden vaker geconfronteerd met twijfel of weerstand. Zeynep voegt hier een belangrijke laag aan toe door te wijzen op intersectionaliteit: ‘Voor vrouwen met een migratieachtergrond vergt het bovendien extra vaardigheden en middelen om zich te bewijzen en erkenning te krijgen binnen de sector.’
Die mechanismen worden tijdens het gesprek ook tastbaar in concrete professionele situaties. Zo vertelde Zeynep Topçu hoe een begeleidend architectenbureau tijdens de uitvoeringsfase expliciet vroeg om een oudere architect naast haar te zetten, ondanks haar ervaring: ‘Ik wist dat dat binnen mijn capaciteiten viel en dat ik ondertussen ook de kennis had om de uitvoeringsfase mee te begeleiden.’ Spreker Joke Vermeulen reageerde scherp op dat verhaal: ‘Wat jij meemaakt is puur discriminatie, punt, gedaan. Dat zou niet mogen.’
ONZICHTBARE BARRIÈRES IN DE PRAKTIJK
Wat historisch werd omschreven als ‘interne en externe barrières’ in de toegang tot erkenning en positie binnen het architectuurveld, blijkt vandaag nog steeds actueel. Joke Vermeulen maakt deze externe barrières concreet. Ondanks haar rol als zaakvoerder wordt ze sporadisch genegeerd in communicatie. In een voorgelezen mail wordt bijvoorbeeld enkel haar mannelijke partner aangesproken als antwoord op een bericht dat zij zelf verstuurde. ‘Je wordt gewoon gecanceld.’
Inge Vinck herkent die dynamiek op de werf. Een werfleider -met wie ze reeds enkele jaren op een project samenwerkt- is blij ‘de architect’ eindelijk te ontmoeten, wanneer haar mannelijke partner haar vergezelt. Het zijn momenten die telkens opnieuw een afweging oproepen die veel energie vraagt: ‘Zeg je er iets van of laat je het passeren?’
Vermeulen benadrukt dat dit telkens tijd en energie kost. De constante nood om zich te bewijzen, zich extra voor te bereiden en strategisch te communiceren, vormt een vorm van onzichtbare arbeid die bovenop het eigenlijke werk komt. Een deelnemer reageerde: ‘Het is wel jammer als we daar heel veel extra tijd en energie in kwijtraken.’ Volgens Vermeulen gaat het daarom niet alleen over individuele strategieën, maar ook over de structurele context waarin architecten functioneren. ‘We willen allemaal een mooi vak uitoefenen. En we willen niet allemaal onze energie moeten verspillen aan het veranderen van het systeem.’ Tegelijk benadrukte ze dat beide niet los van elkaar kunnen worden gezien: ‘Die dingen kunnen tegelijk, maar we moeten ook wel over het systeem gaan praten.’ Een gesprek zoals dit vormt daarin een belangrijk vertrekpunt: een ruimte waarin openlijk gedeeld wordt hoe het is om vandaag als vrouw in het architectuurveld te werken.
SOLIDARITEIT & TOEKOMSTLIJNEN
Tegenover de hardnekkige structuren groeit in het gesprek een duidelijk verlangen naar solidariteit en andere manieren van werken, met collectiviteit en samenwerking als centrale hefboom. Lauren Dierickx ziet daarin een toekomstlijn en pleit voor een horizontale praktijk waarin medewerkers mee ontwerpen en beslissen, en waarin twijfel geen zwakte is maar een kracht.
Ook Zeynep Topçu benadrukt het belang van kennisdeling en samenwerking. Vanuit haar onderwijspraktijk ziet ze een geëngageerde generatie studenten rond klimaat en inclusie. Ze pleit voor meer interdisciplinariteit en collectieve benaderingen binnen een architectuurproject.
Onzekerheid blijkt daarbij een constante: ‘Het blijft aanwezig als je ouder wordt, maar je leert er beter mee omgaan, of de onzekerheden verschuiven’, vult Joke aan. Tegelijk wordt het belang onderstreept van eerlijkheid naar jongere generaties toe, en van strategieën delen met elkaar, al wordt erkend dat die extra inspanningen vragen binnen een ongelijk systeem. Ook Inge Vinck sluit zich hierbij aan: ‘Ik twijfel nog elke dag aan wat ik doe. Dat twijfelen is eigenlijk goed. Het is een vorm van jezelf vragen te durven stellen. Het dwingt je om alternatieven te onderzoeken; om open te staan voor meerdere mogelijkheden. Het is niet omdat je één streep op een papier zet dat dat meteen de juiste streep is. Soms zetten we die eerste streep juist té voorzichtig, uit angst dat hij definitief is. Maar een streep is pas definitief als je stopt met tekenen.’
De ochtend mondt uit in een symbolisch moment: deelnemers worden uitgenodigd om volgens leeftijd in een cirkel rond de tafel te gaan staan. Het onderstreept de waarde van dit intergenerationele gesprek en loopt over in een gedeelde oproep: ervaringen blijven benoemen, elkaar versterken en samenwerken aan structurele verandering, want die kan enkel collectief tot stand komen.